Beroepsprofiel
Home

Voorwoord

Het beroepsprofiel van geestelijke gezondheidkundigen is ontstaan vanuit de behoefte van geestelijk gezondheidkundigen om eenduidige richtlijnen te hebben aangaande hun beroepsprofiel. Naast de behoefte van de geestelijke gezondheidkundigen is dit beroepsprofiel mede ontwikkeld voor werkgevers, die vaak niet bekend zijn met de vele terreinen waarop de geestelijk gezondheidkundige inzetbaar is.

Een woord van dank is op zijn plaats aan Marcel van den Hout en Reinier Kreutzkamp voor hun commentaar en suggesties over eerdere versies van het beroepsprofiel. Als medewerkers van de vakgroep Departement Medische Klinische & Experimentele Psychologie aan de Universiteit Maastricht gaven zijn nuttige aanwijzigingen die het beroepsprofiel hebben geconcretiseerd. Een apart woord van dank aan Caroline Rouleaux voor inzage in de gegevens over het werkterrein van geestelijk gezondheidkundigen.

 

Inleiding

Aangezien de studie Geestelijk Gezondheidkunde inmiddels ruim 18 jaar bestaat en er een toename is van geestelijk gezondheidkundigen die actief zijn op de arbeidsmarkt, lijkt de tijd rijp voor de ontwikkeling van een beroepsprofiel.

Dit beroepsprofiel geeft de kern weer van het beroep geestelijk gezondheidkundige. Het geeft een omschrijving van de activiteiten zoals die plaats vinden in de beroepspraktijk en in het bijzonder van de vereisten waaraan de geestelijk gezondheidkundige dient te voldoen. Dit beroepsprofiel bestaat uit twee profielen: het taakprofiel en het kwalificatieprofiel. Het taakprofiel geeft een compacte beschrijving van de taken en activiteiten van de geestelijk gezondheidkundige. Deze taken kunnen liggen op het vlak van onderzoek (zie het onderzoeksprofiel hoofdstuk 3.1) en hulpverlening (zie het hulpverleningsprofiel hoofdstuk 3.2).  Het kwalificatieprofiel geeft een beschrijving van de kennis en vaardigheden die zijn vereist om de taken te kunnen en mogen uitvoeren (Kester, 1997).

Het beroepsprofiel is onder meer bestemd voor instellingen op het terrein van de (geestelijk) gezondheidszorg. Dit profiel hoopt de beeldvorming omtrent een geestelijk gezondheidkundige te bevorderen. Potentiële werkgevers kunnen hiermee een beeld krijgen met betrekking tot de mogelijkheden van een geestelijk gezondheidkundige op bijvoorbeeld de werkvloer. Tevens kunnen geestelijk gezondheidkundigen zich hiermee profileren op de arbeidsmarkt.

Het beroepsprofiel is gebaseerd op het Structuurrapport Geestelijke Gezondheidkunde (Bremer, Dijkhuis, Van den Hout, Richartz & De Vries, 1986). Bij de samenstelling van het gezondheidszorgprofiel zijn bestaande beroepsomschrijvingen en/of profielen van opleidingen als referentiekader gebruikt, met name het taakprofiel van de psychiater (Taakgroep Profielschets Psychiater, 1996). Om het onderzoeksprofiel meer inhoud te geven zijn een aantal interviews afgenomen bij onderzoekers werkzaam in het wetenschappelijk veld.

Vanaf studiejaar 2002-2003 werken alle nieuw instromende studenten binnen de studie Geestelijke Gezondheidkunde volgens de Bachelor-Master structuur. Aangezien momenteel niet definitief vast te stellen is welke gevolgen dit heeft voor het beroepsprofiel, is het huidige profiel met name gericht op geestelijk gezondheidkundigen die uiterlijk afstuderen in 2005.

 

1.                Geestelijke Gezondheidkunde als onderdeel van de studie gezondheidswetenschappen.

De studie Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit Maastricht is een voor Nederland unieke wetenschappelijke opleiding, die gericht is op het bestuderen van ziekte en gezondheid in ruimere zin. Hierbij komen factoren aan de orde die de gezondheid bevorderen dan wel schaden, alsmede de wijze waarop deze factoren beïnvloed kunnen worden. De studie Gezondheidswetenschappen telt een aantal afstudeerrichtingen die elk vanuit een eigen, wetenschappelijke invalshoek het menselijk welbevinden en de gezondheidszorg benaderen. Na een algemene propedeuse kiest de student één van deze afstudeervarianten. Binnen de studie Gezondheidswetenschappen wordt gewerkt volgens de methode van het probleemgestuurd onderwijs. Dit betekent dat studenten deelnemen aan onderwijsbijeenkomsten met tien tot twaalf jaargenoten en een tutor. In deze bijeenkomsten worden leerdoelen geformuleerd, waarna de studenten zelfstandig de achtergronden van gecompliceerde praktische en theoretische problematiek bestuderen. Vervolgens rapporteren zij dit in de volgende bijeenkomst aan hun medestudenten. De nadruk ligt op het proces van kennisverwerving door de studenten zelf. Naast de onderwijsbijeenkomsten worden colleges, vaardigheidstrainingen en practica aangeboden. Studenten worden op deze manier opgeleid voor vele functies binnen de gezondheidszorg en de wetenschap.

 

In 1984 zijn de eerste studenten begonnen met deze afstudeerrichting. Met name de wenselijkheid van en de behoefte aan een specifiek op de geestelijk gezondheidszorg gerichte wetenschappelijke opleiding speelde bij de oprichting van de studie een belangrijke rol. Geestelijke Gezondheidkunde is officieel erkend als vooropleiding van postdoctorale opleidingen zoals de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.

  

2. Object en Methode van de Geestelijke Gezondheidkundige

 De studie Geestelijke Gezondheidkunde is een veldstudie die zich op de eerste plaats richt op het terrein van de Geestelijke Gezondheidszorg. Op de tweede plaats kenmerkt de studie zich door een interdisciplinaire benadering, variërend van de biologie en de psychologie tot aan de sociologie. Het object van de geestelijk gezondheidkundige is dus de geestelijke gezondheid in de breedste zin van het woord. De nadruk ligt echter op afwijkend gedrag, met andere woorden op de psychopathologie.

Naast het object van de geestelijk gezondheidkundige is het van belang om stil te staan bij de methode die geestelijk gezondheidkundige gebruikt om geestelijke gezondheid te benaderen. De methode kent een drietal typeringen. Op de eerste plaats zal de geestelijk gezondheidkundige het object op een wetenschappelijk onderbouwde manier benaderen. Op de tweede plaats wordt de methode van de geestelijk gezondheidkundige getypeerd door een interdisciplinaire benadering.  Op de derde plaats werkt een geestelijk gezondheidkundige op een probleemgerichte manier, wat inhoudt dat niet de theorie, maar de klachten van de cliënt als vertrekpunt worden genomen.

 

 3.  Taakprofiel

 Het taakprofiel geeft een compacte beschrijving van de taken en activiteiten van de geestelijk gezondheidkundige. Het taakprofiel bestaat uit twee delen: het onderzoeksprofiel en het gezondheidszorgprofiel. Daar waar in deze profielen gesproken wordt over de geestelijk gezondheidkundige in de hij-vorm worden zowel mannen als vrouwen die werkzaam zijn als geestelijk gezondheidkundige bedoeld.

 

3.1 Onderzoeksprofiel

Het onderzoeksprofiel kenmerkt zich door een aantal fasen in het proces van empirisch onderzoek zoals beschreven in de empirische cyclus: verkennen van de literatuur, formuleren van een onderzoeksvraagstelling, maken van een onderzoeksopzet, uitvoeren van het onderzoek, analyseren en interpreteren van de onderzoeksresultaten en openbaar maken van onderzoeksresultaten (Bouter & Van Dongen, 1995). De geestelijk gezondheidkundige heeft kennis van de plaats van deze empirische cyclus in het gehele veld van wetenschappelijke theorieën binnen de geestelijke gezondheidszorg, met name psychopathologie. Hij heeft zowel kennis van fundamenteel als van toegepast onderzoek. Hierbij is het accent gelegen op empirisch, kwantitatief onderzoek   met leertheoretische en/of biologische elementen. De geestelijk gezondheidkundige heeft kennis opgedaan over de formulering van een wetenschappelijk verantwoorde vraagstelling en de onderzoeksopzet. Bovendien heeft hij kennis opgedaan over de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek, met name studies met een relatief kleine steekproef en een (quasi-)experimenteel design.

 

3.2 Gezondheidszorgprofiel

Het gezondheidszorgprofiel kenmerkt zich door een aantal fasen in het proces van de hulpverlening. Bij al deze fasen van het hulpverleningsproces geldt dat de geestelijk gezondheidkundige zich bewust is van zijn rechten en plichten ten aanzien van de cliënt.

 

Kennismaking met de cliënt

De geestelijk gezondheidkundige legt het eerste contact met de cliënt via verbale en non-verbale communicatiemethoden. In deze fase is het van belang om tot een werkrelatie met de cliënt te komen. Het is de taak van de geestelijk gezondheidkundige om de cliënt uitgebreid informatie te verschaffen over de werkwijze van de setting waarbinnen het contact plaatsvindt. De geestelijk gezondheidkundige formuleert in overleg met de cliënt een eerste globale hulpvraag en beoordeelt vervolgens of de hulpvraag binnen de betreffende setting kan worden behandeld.

 

Diagnostiek

De geestelijk gezondheidkundige kan in de diagnostiekfase een uitgebreid inzicht in de problematiek van de cliënt verkrijgen middels een klachtenanamnese, psychiatrische anamnese in engere zin, biografische anamnese en sociale anamnese. Tevens kan het zinvol zijn om de cliënt psychologisch te testen voor aanvullende anamnetische gegevens. Bovendien kan er informatie worden ingewonnen bij de verwijzer van de cliënt en mensen uit de omgeving van de cliënt, zoals bijvoorbeeld de partner. De klachtenanamnese kenmerkt zich door het in kaart brengen van de aard, begin, verloop en aanleidingen/oorzaken van de klachten. De psychiatrische anamnese in engere zin is het nagaan van eventueel aanwezige psychiatrische verschijnselen, zoals mogelijke verstoringen in aandacht, bewustzijn, oriëntatie, geheugen, denken en inzicht/ oordeelsfunctie. In de biografische anamnese wordt de levensloop van de cliënt uitgevraagd om een beeld te krijgen van het lichamelijke, psychische, seksuele en sociale ontwikkeling. De sociale anamnese kenmerkt zich door het in kaart brengen van de aard en omvang van het sociale netwerk van de cliënt. De diagnostiekfase wordt afgesloten met het herformuleren van de hulpvraag van de cliënt in meer specifieke termen. De geestelijk gezondheidkundige is goed in staat om zonder verdere postdoctorale scholing deze diagnostiekfase zelfstandig uit te voeren,

 

Indicatiestelling/opstellen behandelplan

Nadat de geestelijk gezondheidkundige informatie heeft verkregen over de problematiek en hulpvraag van de cliënt, stelt hij een geschikte behandeling samen, in overleg met een interdisciplinair team. Vervolgens wordt gekeken welke instelling deze behandeling kan verzorgen en wordt het behandelplan voorgelegd aan de cliënt. In deze fase is het motiveren van de cliënt een belangrijke taak van de geestelijk gezondheidkundige.

 

Uitvoeren van behandelingen

Bij het uitvoeren van de behandeling kan een onderscheid worden gemaakt tussen taken met betrekking tot het proces van hulpverlening en taken met betrekking tot de inhoud van de behandeling. Bij het proces van hulpverlening is de taak van de geestelijk gezondheidkundige vooral gericht op de beoordeling van de voortgang van de behandeling, onder andere door tussentijds te evalueren. Wat betreft de inhoud van de hulpverlening ligt het accent van de geestelijk gezondheidkundige op uitvoerende taken. De geestelijk gezondheidkundige is in staat om onder supervisie een psychologische behandeling/begeleiding uit te voeren. Om geheel zelfstandig te kunnen functioneren is verdere scholing op het gebied van behandeling noodzakelijk.

 

Verslaglegging/rapportage

Schriftelijke en mondelinge rapportage is een vaardigheid die geestelijk gezondheidkundigen vanaf het allereerste contact met de cliënt toepassen. Op deze manier wordt gedurende alle fasen van het hulpverleningsproces informatie schriftelijk vastgelegd in een dossier. Tevens worden de verwijzer en eventuele medebehandelaars op de hoogte gehouden van de gang van zaken.

 

4.  Kwalificatieprofiel

 

Het kwalificatieprofiel geeft een beschrijving van de kennis en vaardigheden die zijn vereist om de taken, zoals beschreven in bovenstaand taakprofiel, te kunnen en mogen uitvoeren.

Het kwalificatieprofiel is gebaseerd op vier clusters van deskundigheid:

bullet

 basale deskundigheid inzake het normale functioneren van de mens met betrekking tot de geestelijke gezondheid.

bullet

 basale deskundigheid wat betreft het herkennen van bedreigende en begunstigende factoren met betrekking tot de geestelijke gezondheid.

bullet

 basale deskundigheid wat betreft interventies in de geestelijke gezondheidszorg.

bullet

 basale deskundigheid wat betreft onderzoek in de geestelijke gezondheidszorg.

De vier clusters worden in de volgende paragrafen toegelicht.

  

4.1 Basale deskundigheid inzake het normale functioneren van de mens wat betreft de geestelijke gezondheid

De geestelijke gezondheidkundige dient kennis te hebben van relevante theorieën en bevindingen uit de gedragswetenschappen, de sociaal-culturele wetenschappen en de biologische wetenschappen met betrekking tot:

bulletgroei en ontwikkeling
bulletmotivatie en functioneren
bulletleefwijzen en samenlevingsvormen

Tevens dient de geestelijk gezondheidkundige inzicht te hebben in de samenhang tussen de theorieën en modellen van de genoemde disciplines.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient in staat te zijn tot:

bullethet gebruik maken van informatiebronnen met betrekking tot de geestelijke gezondheid op efficiënte manier;
bullethet vormen van een kritisch oordeel over theorieën en modellen binnen de bovengenoemde vakgebieden;
bullethet presenteren van onderwerpen op het gebied van de geestelijke gezondheid;
bullethet schrijven van een wetenschappelijk gefundeerd betoog over onderwerpen uit de geestelijke gezondheidzorg.

 

 

4.2 Basale deskundigheid wat betreft het herkennen van bedreigende en begunstigende factoren met betrekking tot de geestelijke gezondheid.

De geestelijke gezondheidkundige dient kennis te hebben van relevante theorieën en bevindingen uit de gedragswetenschappen, de sociaal-culturele wetenschappen en de biologische wetenschappen met betrekking tot:

bulletde invloed van materiële en immateriële factoren op het geestelijke welbevinden.
bulletKwetsbaarheid en risico’s voor geestelijke gezondheid in verschillende levensfasen.

 

De geestelijk gezondheidskundige dient kennis te hebben van relevante epidemiologische modellen en gegevens. De geestelijk gezondheidkundige dient kennis te hebben van  de rechten van de burger in de samenleving en van de cliënt in de geestelijke gezondheidszorg. In het bijzonder met betrekking tot:

bulletProcedures met betrekking tot gedwongen opname en behandeling;
bulletProcedures met betrekking tot wilsbekwaamheid/handelingsbekwaamheid en toerekeningsvatbaarheid.
bulletRegelingen met betrekking tot beroepsgeheim en beroepsethiek.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient in staat te zijn tot:

bulletHet herkennen van risico’s met betrekking tot de geestelijke gezondheid van de cliënt en zijn omgeving.
bulletHet omgaan met risico’s met betrekking tot de geestelijke gezondheid van de cliënt en zijn omgeving.

 

 

4.3 Basale deskundigheid wat betreft interventies in de geestelijke gezondheidszorg

De geestelijk gezondheidkundige dient uitgebreide kennis te hebben van beschrijvende psychodiagnostiek en psychiaterische classificatiesystemen.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient uitgebreide kennis te hebben van relevante theorieën en bevindingen uit de biologische wetenschappen, de gedragswetenschappen en de sociaal-culturele wetenschappen met betrekking tot:

bulletDe verklaring van abnormaal gedrag.
bulletDe strategieën voor gedragsverandering.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient kennis te hebben van  juridische en administratieve systemen in de geestelijke gezondheidszorg.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient kennis te hebben van theorieën en modellen met betrekking tot acute hulpverlening en crisisinterventie bij geestelijke gezondheidsproblemen.

 

De geestelijk gezondheidkundige  dient in staat te zijn tot:

bulletKennismaken met de cliënt via verbale non-verbale communicatiemethoden, teneinde te komen tot een werkrelatie met de cliënt.
bulletProbleem verhelderen en anamnese.
bulletHet afnemen en interpreteren van gestandaardiseerde psychologische testen.
bulletHet opstellen van een behandelplan op basis van een algemene diagnose en indicatiestelling, rekeninghoudend met de (on)mogelijkheden van de cliënt.
bulletTherapeutische gespreksvoering op counselingbasis, leertheoretische basis en systeemtheoretische basis.
bulletAcute hulpverlening en crisisinterventie.
bullet Verslaglegging/rapportage van de bevindingen met betrekking tot cliënt-contacten.
bulletAdequaat verwijzen.

 

 

4.4 Basale deskundigheid wat betreft onderzoek in de geestelijke gezondheidszorg

De geestelijk gezondheidkundige dient kennis te hebben van relevante theorieën en bevindingen uit de gedragswetenschappen, de sociaal culturele wetenschappen en de biologische wetenschappen, met betrekking tot:

bulletVerschillende theoretische stromingen binnen deze hierboven genoemde disciplines.
bulletDe samenhang tussen de theorieën en modellen van de hierboven genoemde disciplines.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient kennis te hebben van verschillende statische technieken waarmee data geanalyseerd kunnen worden;

bulletDe inhoud van en de relatie tussen probleemstelling, dataverzameling en statische analyse;
bulletStatistische concepten, technieken en procedures, en deze kunnen plaatsen in de opzet, de analyse en de interpretatie van wetenschappelijk onderzoek;
bulletPotentiële problemen aangaande betrouwbaarheid en validiteit.

 

De geestelijk gezondheidkundige dient in staat te zijn tot:

bulletHet gebruiken van verschillende literatuurbronnen;
bulletHet beoordelen van conclusies van een onderzoeker in het licht van de vraagstelling, de gekozen onderzoeksopzet en de gehanteerde statistische technieken;
bulletHet uitvoeren van literatuuronderzoek;
bulletHet formuleren van een probleemstelling;
bulletHet opzetten van een onderzoek;
bulletHet verzamelen van data;
bulletHet verwerken van data;
bulletHet berekenen van de meest gebruikte frequentie- en associatiematen met de bijbehorende betrouwbaarheidsintervallen;
bulletHet zelfstandig bepalen welke statistische technieken wanneer van toepassing zijn;
bulletHet uitvoeren van statistische technieken;
bulletHet gebruiken van het computerprogramma SPSS;
bulletHet interpreteren van de uitkomsten van de gehanteerde statistische toetsen;
bulletHet interpreteren van de bevindingen;
bulletHet rapporteren van de bevindingen.

  

5. Het onderwijsprogramma Geestelijke Gezondheidskunde

 

Na een eerste jaar waarin algemene gezondheidswetenschappelijke

Basisdisciplines centraal staan, maken studenten de keuze voor geestelijke gezondheidskunde. Het curriculum van het bachelorprogramma kent 2

programma’s. Op de eerste plaats, het major programma GGK. Dit bestaat uit theoretische blokken met als thema psychopathologie. Daarnaast kent

het curriculum een therapie-minor. Dit programma kan enkel gelopen worden naast het GGK major programma.In deze therapie-minor staan klinische vaardigheden centraal, zowel wat betreft het doen van intakes, het doen van diagnostiek, als het geven van behandelingen. Schematisch ziet het programma er dan als  volgt uit:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Jaar 2

Aantal weken

 

 

8

 

Algemeen gezondheidwetenschappelijk blok

 

 

8

Leren,cognitie

en persoonlijkheid

Het intake proces

 

 

4

 

 

Kinder en jeugd 1

Het intake proces (vervolg)

 

8

Anxiety disorders

           

Inleiding in de psychotherapie

 

 

8

Stemmingsstoornissen

 

Psychodiagnostiek

 

 

 

4

 

 

Kinderen en Jeugdigen II: psychopathologie

 

 

                     


 

Jaar 3

Aantal weken

 

 

8

 

Onderzoek van psychopathologie

Kortdurende Ambulante interventies

 

8

       Algemeen gezondheidwetenschappelijk blok

 

 

4

 

 

Somatoforme stoornissen

 

Seksualiteit

 

8

Keuze onderwijs

 

 

8

Bachelorthesis

 

4

 

 

 

 

 

 

Na dit bachelorprogramma kunnen studenten instromen in het :

Master of Mental Health  programma. Een eenjarig programma waarin

zowel theoretische blokken als een klinische en een onderzoeksstage

gedaan moeten worden.

Schematisch ziet het programma er dan als  volgt uit:

 

 


 

Master of Mental

Health

weken

 

8

 

Neuropsychological disorders

Clinical internship

Research internship

 

 

8

Psychotic disorders       

 

 

8

 

 

Personality disorders

 

16

Clinical internship

Research internship

 

 

De studierichting Geestelijke Gezondheidkunde/ Mental Health, zoals onderwezen wordt aan de Faculty of Health, Medicine and Life sciences (FHML) van de Universiteit Maastricht, staat gelijk aan een doctoraal of master diploma klinische psychologie, behaald aan andere Nederlandse universiteiten.

 

Afgestudeerden in de Geestelijke Gezondheidkunde worden in Nederland bij wet toegelaten tot de postacademische opleidingen waar klinisch psychologen ook toegang tot hebben.

 

Binnen de Gezondheidszorg vervullen Geestelijk Gezondheidkundigen in Nederland dezelfde functies en hebben zij dezelfde rechten en plichten  als doctorandi/ masters in de klinische psychologie.

 

De effectieve onderwijstijd van het curriculum Geestelijke Gezondheidkunde komt overeen met de gemiddelde universitaire opleiding tot klinisch psycholoog in andere landen binnen de Europese Unie.

 

 

6   Het werkterrein van de geestelijk gezondheidkundige

 

 

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt heeft een onderzoek gedaan naar de arbeidsmarktpositie van gezondheidswetenschappers die afgestudeerd zijn in 1999-2000 (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt 2001). De relevante gegevens uit dit onderzoek zijn weergegeven in de diagrammen op de volgende pagina’s, betreffende voltijd in deeltijd-studenten.

Allereerst bleek dat het grootste gedeelte van de responderende afgestudeerde geestelijk gezondheidkundigen betaald werk hebben (diagram 1). Hiervan werkt 66% in de gezondheidszorg en 19% voert wetenschappelijk onderzoek uit aan een onderzoeksinstelling, vaak gecombineerd met onderwijstaken (diagram 2).

Wanneer naar de beroepen gekeken wordt die geestelijk gezondheidkundigen uitoefenen, valt op dat daarin een grote verscheidenheid bestaat. Ongeveer driekwart van de afgestudeerden werkt op academisch niveau, bijvoorbeeld als psycholoog, seksuoloog of onderzoeker. Voor de overige geestelijk gezondheidkundigen geldt dat zij niet op een academisch niveau starten. Hierbij kan gedacht worden aan banen zoals verpleegkundige, maatschappelijk werker of groepsleider.

 

 

 

 

 

 


 

Referenties

 

Bouter, L.M. & Dongen, M.C.J.M. van (1995). Epidemiologisch onderzoek: opzet en interpretatie. Houten/Piechem: Bon Stalen van Sorghum.

 

Bremer, J., Dijkhuis, J., Van den Hout, M., Richartz, M., De Vries, M. (1986). Structuurrapport Geestelijke Gezondheidkunde. Universiteit Maastricht.

 

Kester, I. (1997). Zich op zorg en welzijn: beroepen. Arbeid en arbeidsmarkt in zorg en welzijn. Utrecht: Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn.

 

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2001). Arbeidsmarktscanner 2001, Kerncijfers t+1 meting cohort 1999-2000. Universiteit Maastricht: Unigraphic.

 

Taakgroep Profielschets Psychiater (1996). Profielschets psychiater: rapport van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Utrecht.